Javaanse danseres (Bedaja, Tanding)

€90.00
In stock: 1 available
Product Details

Javaanse danseres (Bedaja, Tanding)

Kunstenaar: onbekend (naar een schildering van Tyra Kleen, 1874 – 1951).

Periode: 1925-1990.

Techniek: schildering op zijde.

Conditie: goed.

Gewicht: 1047 gr.

Afmetingen: ca. 25 x 25 cm; 36 x 38 cm (met kader).

Verkoop met kader (achter glas).

Inlijsting: H. Joakim, 13, Rue Longue Vie (Lang-Levenstraat 13) Bruxelles (Pte. De Namur), tussen 1965 en 1990, blijkens het 6-cijferige telefoonnummer.

Prijs: 90€

Deze zijdeschildering is gebaseerd de schildering die Tyra Kleen maakte van de Javaanse dans (Serimpi and Bedaja) en die in 1925 gepubliceerd werden in 20 gekleurde platen in: Beata van Helsdingen-Schroevers, Het Serimpi boek , i.c. plaat 20.

Over Tyra Kleen ( https://en.wikipedia.org/wiki/Tyra_Kleen ):

"Tyra Kleen werd in Zweden geboren als dochter van de Zweedse diplomaat en schrijver Fredrik Herman Rikard Kleen (1841-1923) en Maria Charlotte Amalia née Wattrang (1842-1929). Zij had twee broers en zussen; een oudere broer Nils Rikardsson af Kleen (1872-1965) en zus Ingeborg Kleen (1870-1911). Door de veelvuldige afwezigheid van de ouders werden de kinderen voornamelijk opgevoed door hun grootvader, maarschalk Nils Adolf Wattrang, die in 1890 overleed toen Kleen 16 jaar oud was.

Kleen studeerde schilderkunst in Karlsruhe tussen 1892 en 1893, aan de Academie voor Schone Kunsten München 1894 en vervolgens aan de Académie Delecluse, Académie Colarossi, Académie Julian en Académie Vitti tussen 1895 en 1897. Zij legde zich voornamelijk toe op tekenen, etsen en lithografie, hield haar eerste tentoonstelling in Parijs in 1896 en maakte haar debuut in de illustratie in 1897. In Parijs illustreerde zij het boek Drömmer , door haar zuster vertaald uit het boek Dromen , geschreven door de Zuid-Afrikaanse schrijfster Olive Schreiner. Haar figuratieve stijl was geïnspireerd door art nouveau, jugendstil en symbolisme. Tijdens haar jaren in het buitenland met invloeden van kunstenaars als Böcklin en Puvis de Chavannes en van de Theosofie, pikte ze een continentale symbolistische stijl op, uniek onder Zweedse kunstenaars.

Als adolescente had Kleen het gevoel een buitenstaander te zijn, niet verbonden met haar sociale omgeving. Ze vulde deze existentiële leegte niet alleen met haar professionele ambities, maar ook met de theosofisch geïnspireerde wereld van oosterse mythen en rituelen en probeerde er deel van uit te maken door te dansen en te tekenen wat ze zag. Haar cognitieve, mentale en emotionele opvattingen werden geïnspireerd door het feminisme, de "Nieuwe Vrouw"; en door het exotisme, met name de theosofische mystiek van Annie Besant, Jiddu Krishnamurti en Charles Webster Leadbeater. Deze laatste stichtte de "Orde van de Ster in het Oosten [nl]" (een zogenaamde gemengde niet-vrijmetselaarsloge), die zeer populair werd in Nederland en Nederlands-Indië.

In 1919, na WO I, reisde zij op een Zweeds vrachtschip naar Java en Bali. In Solo (Surakarta) werkte Kleen samen met Beata van Helsdingen-Schoevers aan een antropologische studie over de rituele hofdansen van Solo. Beiden namen ook deel aan de danslessen. Kleen was van mening dat dansen niet alleen het maken van de juiste bewegingen op de klanken van muziek inhield, maar dat het ook de overgang inhield naar een veranderde gemoedstoestand om niet alleen in harmonie te komen met zichzelf, maar ook met het Universum.

Helaas eindigde dit project in juli 1920 in twist door botsende persoonlijkheden, en van Helsdingen-Schoevers overleed 17 augustus 1920 aan een onbekende ziekte. Het project werd in 1925 voltooid met hulp van "Volkslectuur", Mabel Fowler en mejuffrouw Gobée, echtgenote van het Hoofd van het Bureau voor Binnenlandse Zaken, getiteld " De Serimpi- en Bedojo-dansen aan het Hof van Soerakarta ", met 16 pagina's tekst. In juli 1925 verscheen een nieuwe editie met 30 bladzijden tekst. De gekleurde platen waren reproducties gemaakt door de Topografische Dienst van Kleen's tekeningen. Voor alle betrokkenen, maar vooral voor Kleen, was het resultaat zeer teleurstellend, omdat zij aan dit project wilde meewerken om te komen tot een standaard naslagwerk dat wereldwijd kon worden gepresenteerd".

“Vóór de islam het hindoeïsme op Java verdrong, werd dit type dans reeds beoefend. Toen waren de dansen echter tempeldansen. De serimpidanseressen waren van vorstelijke bloede: de dansbeoefening maakte (tot hun 14e jaar) deel uit van hun opvoeding. De dansstijl is uiterst verfijnd en gestileerd. Er worden prachtige kostuums bij gedragen. De dans wordt begeleid door zang en door instrumentale muziek.” ( Oosthoek Encyclopedie ).

Op de Rue Longue Vie 13 (Ixelles / Elsene) was al in de jaren ‘20 een kunsthandel gevestigd (Van de Laar), blijkens de adressenlijst die Paul Van Ostaijen maakte voor zijn Avontuur (1928); G. Borgers, Paul Van Ostaijen. Een documentatie , 1996, 1118.

Javanese dancer (Bedaja, Tanding)

Artist: unknown (after a painting by Tyra Kleen, 1874 - 1951).

Period: 1925-1990.

Technique: painting on silk.

Condition: good.

Weight: 1047 gr.

Dimensions: approx. 25 x 25 cm; 36 x 38 cm (with frame).

Sold with frame (behind glass).

Framing: H. Joakim, 13, Rue Longue Vie (Lang-Levenstraat 13) Bruxelles (Pte. De Namur), between 1965 and 1990, according to the 6-digit telephone number.

Price: 90€

This silk painting is based on the painting Tyra Kleen made of the Javanese dance (Serimpi and Bedaja) and published in 1925 in 20 colored plates in: Beata van Helsdingen-Schroevers, The Serimpi book , i.c. plate 20.

About Tyra Kleen ( https://en.wikipedia.org/wiki/Tyra_Kleen ):

“Tyra Kleen was born in Sweden to Swedish diplomat and author Fredrik Herman Rikard Kleen (1841–1923) and Maria Charlotte Amalia née Wattrang (1842–1929). She had two siblings; an older brother Nils Rikardsson af Kleen (1872–1965) and sister Ingeborg Kleen (1870–1911). Due to the frequent absence of the parents, the children were primarily educated by their grandfather, marshall Nils Adolf Wattrang, who died in 1890 when Kleen was 16 years old.

Kleen studied painting in Karlsruhe between 1892 and 1893, at the Academy of Fine Arts Munich 1894 and then at Académie Delecluse, Académie Colarossi, Académie Julian and Académie Vitti between 1895 and 1897. She devoted her work mainly to drawing, etching and lithography, held her first exhibition in Paris in 1896 and made her debut in illustration in 1897. In Paris she illustrated the book Drömmer translated by her sister from the book Dreams, written by the South-African author Olive Schreiner. Her figurative style was inspired by art nouveau, jugendstil and symbolism. During her years abroad with influences from artists such as Böcklin and Puvis de Chavannes and from Theosophy, she picked up a continental symbolistic style, unique among Swedish artists.

As an adolescent, Kleen felt as though she was an outsider, not connected with her social surroundings. She filled this existential void not only with her professional ambitions but also with the theosophical-inspired world of oriental myths and rituals and tried to be part of it by dancing and drawing what she saw. Her cognitive, mental and emotional conceptions were inspired by feminism, the "New Woman"; and by exotism, especially the Theosophical mysticism of Annie Besant, Jiddu Krishnamurti and Charles Webster Leadbeater. The latter founded the "Orde van de Ster in het Oosten [nl]" (a so-called mixed non-Masonic lodge), which became very popular in the Netherlands and the Dutch East Indies.

In 1919, after WWI, she traveled to Java and Bali on a Swedish cargo ship. In Solo (Surakarta), Kleen worked with Beata van Helsdingen-Schoevers to write an anthropological study on the ritual court dances of Solo. Both also participated in the dance lessons. Kleen felt that dancing not only involved making the right movements on the sound of music, but that it also involved the transition into an altered state of mind to become in harmony not only with oneself, but with the Universe.

Unfortunately, this project ended in July 1920 in turmoil due to clashing personalities, and van Helsdingen-Schoevers died 17 August 1920 of an unknown disease. The project was finished in 1925 with help from "Volkslectuur" (the commission of folk literature), Mabel Fowler and miss Gobée, wife of the Head of the Office for Internal Affairs, titled "The Serimpi and Bedojo Dances at the Court of Surakarta", with 16 pages of text. In July 1925 there appeared a new edition with 30 pages of text. The coloured plates were reproductions made by the Topographic Service of Kleen's drawings. For everyone involved, but especially Kleen, the result was very disappointing, because she wanted to participate in this project in order to result in a standard reference work that could be presented worldwide.”

"Before Islam supplanted Hinduism in Java, this type of dance was already practiced. Back then, however, the dances were temple dances. The serimpidans were of royal blood: the practice of dance was (until they were 14 years old) part of their education. The dance style is extremely refined and stylized. It is accompanied by beautiful costumes. The dance is accompanied by singing and by instrumental music." ( Oosthoek Encyclopedia ).

On the Rue Longue Vie 13 (Ixelles / Ixelles) there was already an art gallery (Van de Laar) in the 1920s, according to the address list Paul Van Ostaijen made for his Avontuur (1928); G. Borgers, Paul Van Ostaijen. A documentation , 1996, 1118.

Save this product for later
Share this product with your friends
Javaanse danseres (Bedaja, Tanding)
0
Share by: